m o n u m e n t e n

e n

k e t t e r s

bewegen in structuren van abstractie

i n l e i d i n g

Deze masterscriptie die ik indien bouwt verder op ‘ e e n   s u b j e c t   v a n   k e n n i s ’. Dit is de titel van het reisverslag doorheen eigen herinneringen, opmerkelijke gebeurtenissen gereflecteerd op wie ik was en die uitgeschreven voor het lesonderdeel Dossier van vorig jaar. In dat academiejaar 2017 – 2018 werd het vak binnen Autonome Vormgeving gedoceerd door Helena De Preester en Kristof Van Gestel. Deze oefening maakt de onzichtbare verbindingen van het eigen gedrag en denken zichtbaar. Vandaag stellen die verbindingslijnen mij verder in staat om de innerlijke noodzaak beter te begrijpen. Een noodzaak om te communiceren met de ander, een noodzaak die een creatie in zich draagt waarbij er een relatie met de ander wordt aangegaan. Maar vooraleer ik een volgende relatie aanga wil ik die innerlijke beweegreden binnen het theoretische denken kaderen. Van daaruit wil ik onderzoeken tot welk publiek ik mij wil richten. Vanuit het noodzakelijk handelen heb ik in de vorige jaren mijzelf doorheen de werkelijkheid gegidst en dit steeds met het oog scherp gesteld op de film die zich daarvoor heeft afgespeeld. Tijdens een actie die ‘Desire Lines’ heet, stuitte ik aan de ferry terminal in Calais op de woorden ‘I wish for the future’, neergeschreven op een vangrail aan het einde van een doodlopende straat. Woorden die ik als een schreeuw ervaar en meeneem in de vraag ‘Voor welke toekomst wil ik werken?’. Het is dé vraag die mij tot reflectie dwingt om het handelen als mens in een theoretisch denken te plaatsen.

Ik werk vanuit de overtuiging dat de mens als kunstenaar een rol kan vervullen, net zoals een orgaan in het lichaam levensnoodzakelijk is. De kunstenaar zie ik is als een orgaan van het lichaam dat de samenleving is. De vraag ‘Voor welke toekomst wil ik werken?’ dwingt in de samenleving de vraag af ‘Voor wie wil ik werken?’. Pierre Bourdieu wijst op de sociale klasseverhouding, “Het ideaal is een kritische intellectueel die kennis heeft van de mechanismen die het denken gevangen houden.”[1] Het kunstwerk dat tracht zichtbaarheid te geven aan gevoelswerelden van de mens ziet Bourdieu niet op zichzelf maar koppelt hij aan de maker en zijn positie in het veld waarin hij of zij handelt. Constant Anthon neemt als kunstenaar een radicale keuze en zegt “Het wordt tijd dat de kunstenaar gaat inzien dat ze geen grond meer onder de voeten hebben, dat hun zogenaamde ‘vernieuwingen’, hun abstracte schilderkunst, hun experimentele poëzie, hun concrete muziek, zinloos blijven, zolang ze op zichzelf blijven staan.”[2] De kunstenaar, zo schrijft Constant verder, heeft zich genoeg beziggehouden met hun individuele expressies en emoties.

Hoe wil ik als mens die de vrijheid als creativiteit zie, handelen? In het seminarie van Stoffel Debuysere stelt hij een relevante vraag. “Welke vorm en ficties kunnen het gezonde verstand verdringen? Als het gezonde verstand een besef van de werkelijkheid voorstelt dat overeenstemt met wat al bekend is, met wat het alleen maar kan zijn, wat zijn dan de vormen en ficties die ons zouden kunnen uitdagen om de relatie tussen het reële en het mogelijke te heroverwegen?”[3]

De figuur van de ketter uit de middeleeuwen wordt in dit schrijven regelmatig aangehaald en wordt gebruikt als een metafoor voor de kunstenaar van de 21ste eeuw. Zijn of haar creatie  dwingt de dimensie naar een relatie met de wereld. Een zoektocht naar een gepaste verhouding die vandaag tot stand komt vanuit het beter begrijpen van fenomenen in dit heden. Fenomenen die gedragen worden door het collectief geheugen. Vanuit de observatie van het dagdagelijkse, waar abstracte begrippen het menselijk leven conditioneren, ontstaat de noodzaak om een alternatieve verbeelding te ontwikkelen. Daarbij staat de intersubjectiviteit centraal en is de ontmoeting een vertrekpunt om de verbeelding ruimte te geven.

d e    k e t t e r

De ketter werd in de oudheid een persoon genoemd die zich van andere mensen onderscheidt en zijn of haar eigen lering volgt. Het woord ketterij komt van het Griekse hairesis wat ‘keuze’ of ‘gekozene’ betekent. Het was oorspronkelijk neutraal zonder oordeel of zonder  emotionele lading. Een gekende ketter uit die oudheid komt aan het woord in de geschriften van Plato. De dialogen met Socrates tonen een methodiek om tot wijsheid te komen. Deze methode is te vergelijken met die van een ketter. Socrates heeft zelf nooit zijn denken aan het geschreven woord toevertrouwt, hij was van mening dat boeken en teksten zijn vragen in het leven niet konden beantwoorden. Hij was ervan overtuigd dat filosofie enkel in het gesprek als een dialoog van persoon tot persoon gevoerd kon worden. Om zo samen in het proces betrokken te zijn waarbij het denken in een uitwisseling van woorden tot een gedeelde ontwikkeling komen kan. Eens het denken in woorden neergeschreven staat wordt het geobjectiveerd. Daardoor is er geen ontwikkeling meer mogelijk, er is enkel nog een verhouding die als eenrichtingsverkeer tussen de lezer en de schrijver zijn woorden vertaald wordt. Maar dankzij Plato en anderen, onder wie Xenophon, die Socrates in het gesprek gekend hebben kunnen we vandaag vermoeden wie Socrates als persoon was. Er wordt gezegd dat Socrates wel wist dat zijn dialogen gevoerd op openbare plaatsen in neergeschreven teksten verder verspreid zouden worden. In die neergeschreven versie staat te lezen hoe Socrates door middel van een soort ondervraging in dialoog ging met zijn gesprekspartner(s). Met gekozen vragen die altijd gerelateerd zijn aan het onderwerp zet hij de ander aan het denken. Het gaat om de vragen die bij Socrates ontstaan vanuit zijn eigen inzicht in een persoonlijke moraliteit. Zo beweegt hij zich in het gesprek met zijn gesprekspartners die eenzelfde taal spreken. In dat taalgebied manifesteert Socrates zich  binnenin de dialoog. Socrates doet zich daarbij voor als een eenvoudig man die bekent dat hij weinig kennis bezit. Het maakt deel uit van zijn ironische aanpak om zijn gesprekspartner, die zich gewoonlijk als expert in een bepaald domein voordoet, op een bepaald ogenblik te laten inzien dat hij in feite erg verwarde en inconsequente opvattingen heeft. Deze methodiek die vanuit de dialoog het inzicht tot wijsheid verschaft kan enkel door de vraagstelling bekomen worden. Het dwingt de ander om tijdens die dialoog zelf na te denken. Het is een methodiek die vraagt om een helder contemporain ‘zijn’, dat het antwoorden op woorden van de gesprekpartner mogelijk maakt. Verder is het opvallend aan Socrates’ methodiek dat dit enkel effectief is als de ander binnen hetzelfde taalgebied actief is en dan ook dezelfde taal spreekt. Pas dan kan de ketter Socrates de ander de weg tonen naar wijsheid. Socrates kiest ervoor om in de publieke ruimte de ander in een gesprek te ontmoeten en ermee in dialoog te gaan. Vanuit Socrates zijn persoonlijke moraliteit bezit hij een verschillend weten als dat van zijn gesprekspartner, het is vanuit dat weten dat hij de vragen stelt. Het is deze methode die Socrates tot een ketter maakt net omdat hij in de gemeenschap aanwezig is en samen met de ander in dialoog gaat om van daaruit de weg naar wijsheid te tonen.

De ketter bevindt zich met zijn handelen altijd binnenin een gemeenschap, zoals bijvoorbeeld een geloofsgemeenschap. Daar wordt hij gezien als iemand die bewust en opzettelijk tegenspreekt wat fundamenteel is aan de geloofsleer. Anders dan de atheïst die met alle goden breken wil, is de ketter vanuit zijn positie als figuur binnenin een gemeenschap interessanter. De ketter wijst namelijk niet categorisch af wat voor de atheïst op grond van een levensbeschouwelijke claim de exclusieve toegang tot het absolute is. Hij stelt vragen die vanuit een persoonlijke moraliteit de grenzen aftast waarin hij of zij zich bevindt, in het geval van het voorbeeld is dit de geloofsleer. De atheïst zoekt die grenzen niet op, hij plaatst veeleer zijn absolute waarheid tegenover de leer van god. Het idee ‘verlichting’ van de atheïst en het idee ‘god’ van de gelovige staan als abstracte ideeën tegenover elkaar. Door de ontkenning van god plaatst de atheïst zich buiten de geloofsgemeenschap en daar richt hij als reactie een eigen gemeenschap op die het atheïsme als absolute waarheid aanziet. Beide hebben in het streven naar het absolute hun idee als een leer gedefinieerd en beide  hanteren daarbij een methodiek om tot hun waarheid te kunnen komen. Deze methodiek is een mechanisme dat redenerend denkt vanuit die absolute waarheid en datgene uitsluit wat er niet toe behoort. Dit zijn mechanismen die zich in het modernisme verder zetten, waar de ene ervaringsmodus vervangen wordt door een andere. Het modernisme werkt op deze manier de polarisering in de hand, met gevolgen die tot op vandaag zichtbaar zijn. Denk daarbij aan het nabije verleden van het kolonialisme en het imperialisme, dat vanuit een absolute ideologie handelde. Het geweld dat met die dominante vorm van macht gepaard gaat is altijd ten koste van een persoon, van iemand, iemands kind.

h e t   v r e e m d e

De ander is in de relatie tot jezelf en de wereld onoverkomelijk. Hier kijken we de ander van dichterbij en voornamelijk hoe die bepalend is in de bevraging naar verinnerlijking als reflectie. Vanuit het verleden kijken we hoe beeldvorming tot stand komt en wat het belang is van een morele omgang met de ander op een particuliere basis. Waar geanticipeerde dialoog het eigenbelang overstijgt en het denken zich binnen de termen van een gedeelde intersubjectiviteit bevindt. 

Als de andere persoon het onderwerp is van een beschrijving wordt die onder een vergrootglas door de schrijver bekeken, het is de methode die zich binnen het kolonialisme heeft gemanifesteerd. Aan de hand van een voorbeeld dat hieronder beschreven staat worden de machtsmechanismen zichtbaar. De beschrijvende teksten die toen vanuit het observeren van het vreemde neergeschreven staan tonen de verhouding tussen de schrijver en de ander.  De eerste kolonisators werden vanuit de natiestaat uitgestuurd naar het onbekende, naar gebieden waarover zij weinig tot geen kennis hadden. Gebieden waar zij noch hun natiestaat de geografische rechten over bezaten. Op zoek naar economisch gewin bepaalde dit hun verhouding tot het onbekende en haar bewoners. Daar ontmoette de kolonisator inheemse bevolkingen waarmee er geen gemeenschappelijke taal gedeeld werd. Het was dan ook moeilijk tot onmogelijk om tot kennisoverdracht te komen. Met dat logische gevolg dat elk zich aan zijn eigen cultuur vastklampt om in het dagdagelijkse te overleven. Daaruit komt voort dat de kolonisator het thuisfront en zijn natie informeerde over de levensomstandigheden en zijn ontmoetingen in het onbekende. Het zijn in deze eerste brieven dat de ander als de vreemde in woorden beschreven staat. Onder het mom van wetenschappelijk onderzoek ging men toen verder op zoek naar verschillen met dat wat eigen is. Het zijn deze uitvergrote verschillen die in teksten neergeschreven staan. Hoe de vreemde gekarakteriseerd werd vanuit het eigen verhaal en dit ter bescherming van de koning en de kerk. Zo lees je bij Bartolomé De Las Casas hoe er vanuit de paternalistische blik naar de inheemse bevolking gekeken werd. Bartoloméo werd in 1484 in Sevilla geboren. Op achttienjarige leeftijd verliet hij Spanje voor de Nieuwe Wereld, waar hij deelnam aan de verovering van Cuba en waar hij getuige was van de eerste volledige slachting van een Indiaanse gemeenschap. Hij werd er later een priester en trad er toe tot de Dominicaanse orde. Daarna werkte hij toegewijd aan de bescherming en verdediging van de indianen. Na getuige te zijn geweest van de verwoestingen en wreedheden van de Spaanse kolonisten en het tragische falen van zijn eigen project voor een vreedzame kolonie in Cumaná, schreef hij het verslag in 1542, daaruit volgt er hier een brief.

“God heeft alle volkeren van dit gebied, velen en gevarieerd als ze zijn, zo open gemaakt en zo onschuldig als je maar kunt voorstellen. De eenvoudigste mensen ter wereld: niet-wetend, lijdend, niet-assertief en onderdanig, ze zijn vrij van boosaardig bedrog, en zijn volkomen trouw en gehoorzaam aan hun eigen heren en aan de Spanjaarden in wiens dienst ze zich nu bevinden. Nooit ruzieachtig of oorlogszuchtig of onstuimig, ze koesteren geen wrok en proberen geen oude rekeningen te vereffenen. De begrippen wraak, wrok en haat kennen ze niet. Tegelijkertijd behoren ze tot de minst robuuste van de mensen, hun delicate voorkomen maakt hen niet bestand tegen het harde werken en het lijden,  ze zijn vatbaar voor bijna elke ziekte, nee het maakt niet uit hoe mild. Zelfs het gewone volk is niet harder dan prinsen of andere Europeanen die geboren zijn met een zilveren lepel in de mond en hun leven lang afgeschermd zijn van de ontberingen van de buitenwereld. Met het verschil dat zij tot de armste mensen op aarde behoren, zij bezitten bijna niets en hebben geen behoefte om materiële bezittingen te verwerven. Daardoor zijn ze noch ambitieus, noch hebzuchtig en zijn ze totaal niet geïnteresseerd in de wereldse macht. Hun voeding is net zo arm en even eentonig, in hoeveelheid en in natura, als die van de ‘Desert Fathers’. De meesten van hen gaan naakt, behalve een lendendoek om hun bescheidenheid te bedekken, in het beste geval kunnen ze zich wikkelen in een stuk katoenen materiaal op een of twee vierkante meter. De meeste slapen op matten, hoewel een paar een soort hangend net bezitten, in de taal van Hispaniola bekend als een hangmat. Ze zijn onschuldig en zuiver van geest en hebben een levendige intelligentie, wat hen bijzonder ontvankelijk maakt voor het leren en begrijpen van de waarheden van ons katholiek geloof en voor het geïnstrueerd worden in de deugd, God heeft ze inderdaad met minder belemmeringen in dit opzicht dan enig ander volk op aarde gezet. Als ze eenmaal beginnen te leren van het christelijk geloof, worden ze er zo op gebrand om meer te weten, de sacramenten te ontvangen en God te aanbidden, dat de missionarissen die hen onderwijzen echt mannen van uitzonderlijk geduld en verdraagzaamheid moeten zijn, en in de loop der jaren heb ik keer op keer Spaanse leken ontmoet die zo onder de indruk zijn van de natuurlijke goedheid die door deze mensen schijnt dat ze vaak gehoord kunnen worden om uit te roepen: “Dit zouden de meest zaligste mensen op aarde zijn, als ze de kans zouden hebben gekregen om zich tot het christendom te bekeren”.[4]

Het is de wijze van beschrijven die om aandacht vraagt net omdat die zich in de verbeelding gevormd hebben. Zo heeft de kolonisator samen met de natiestaat zijn macht over het vreemde kunnen verspreiden. Willem Schinkel in referentie tot Michel Foucault heeft het over “dominante vormen van verbeelding die altijd verbonden zijn met dominante vormen van verdeling”[5]. Het vormen van zo’n verbeelding kent binnen een gemeenschap zijn belang, ze geven het gevoel van controle en dus macht over het onbekende, het vreemde. Eens zo’n beeld zich ontwikkeld heeft kan het verder geobjectiveerd worden. Te vergelijken met een steen die dient voor het bouwen van een huis of zelfs een vesting. Voor elk die zich met dat beeld verbindt zal er binnen die cultuur, dat huis bescherming zijn tegen het onbekende. Doordat mensen dat beeld erkenning geven wint het aanzien en versterkt het zich in zijn ontwikkeling van een huis tot een vesting. Het beeld is te vergelijken met een religieus symbool dat binnen een geloofsgemeenschap erkend en aanbeden wordt in het huis van god. Het is een monument dat zich in het landschap een stuk grond toe-eigent zoals een koloniale nederzetting dat op onrechtmatige basis doet.

h e t   m o n u m e n t

Wetenschap en cultureel-historische context hebben dus een verantwoordelijkheid in de ontwikkeling van een beeld. Al is deze verantwoordelijkheid op het niveau van het individu binnen een cultuur relatief. Denk daarbij aan de brief van Bartolomé waaruit blijkt dat het  beeld dat van de inheemse bevolking gevormd wordt aansluit bij de gruwel die toen, maar ook later in naam van het christendom georganiseerd werd. Het getuigd dat de christenen vanuit hun idee van superioriteit boven de inheemse bevolking staan. De laatste zin van de brief toont dat er vanuit enkele leken een erkenning is voor de Indiaanse gemeenschap, als de mogelijkheid tot meest zaligste christenen op aarde, maar de zin verwijst onmiddellijk terug naar de gruwel dat de inheemse bevolking nooit daartoe de kans zal krijgen. Om de goudkoorts van de kolonisator niet te stoppen hebben ze het idee van superioriteit nodig om vrije hun hang te kunnen gaan. In het werk van Bartolomé is zichtbaar hoe hij als antropoloog een beeld vormt van het onbekende, het vreemde. Hoe de cultuur van superioriteit bevestigd wordt in het beeld dat door de beschrijving gevormd wordt, al stelt hijzelf de gruwel in vraag. De wetenschapsmens zoekt naar bouwstenen voor zijn gedetailleerde onderzoek en staat daarbij niet stil bij de impact van het ontwikkelde beeld in de cultuur. Hij is bezig met zijn elementen voor het bouwen van zijn onderzoek dat betrouwbaar en volkomen zeker moet zijn.

De betrouwbaarheid en de volkomenheid is in een wetenschappelijk onderzoek belangrijk omdat ze een redenerende stelling moeten kunnen dragen. Daarbij is het pertinente noodzakelijk als de wetenschap zich binnenin een gemeenschap van markteconomisch nuts denken bevindt. Meer bepaald omdat de uitkomst van het wetenschappelijk onderzoek ook volledig moet zijn wil het binnen die gemeenschap van nut zijn. Het vormen van een beeld begint dus op het niveau van het individu, al dan niet geconditioneerd door een cultuur. Eens het beeld zich gevormd heeft en erkend wordt door de gemeenschap functioneert het als een fundament, als de grond waarop die gemeenschap haar imperium als een monument, een vesting verder opbouwt. De versmelting met het maatschappelijk geloof in de wetenschap is een belangrijke factor waardoor het bredere kader en ook de impact uit het oog verloren wordt. Het wetenschappelijk onderzoek heeft de maatschappij het gevoel maakbaar te zijn. Door dat gevoel van maakbaarheid is er in het opbouwen van een maatschappij een gevoel van controle en macht over de ontwikkelde elementen. De maatschappij wordt daardoor zelfbevestigend in het optrekken van haar monumenten, bestaande uit ontwikkelde beelden die als elementen, bouwstenen functioneren.

Uit het voorbeeld van het koloniaal verleden leren we dat de grond waarop dat monument is opgetrokken geconditioneerd kan zijn. Zoals de economische belangen vanuit de natiestaat die een inheemse bevolking onderdrukten. Deze belangen hebben het vormen van een beeld bepaald zoals het principe van de toereikende grond voorschrijft. Het is een techno-wetenschappelijk principe die tot ontwikkeling kwam in het denken van Gottfried Wilhelm Leibniz. “Alle handelingen zijn gedetermineerd en in geen geval toevallig, omdat er altijd een reden te vinden is die, ook al dwingt zij ons niet, ons aanzet om zó en niet anders te handelen.”[6] De ontwikkeling van het beeld is in de brief van Bartoloméo ontstaan vanuit de superioriteit van het christendom, wat zich in de macht van de Spaanse kolonisator over de Indiaanse bevolking heeft vertaald. Door niet essentiële informatie in het ontwikkelde beeld weg te laten wordt het beeld een abstractie van de machtsverhouding tussen de kolonisator en de inheemse bevolking. Dit abstracte beeld dat de kolonisator ontwikkelde door zijn beschrijving van de ander heeft zich als een monument doorheen de geschiedenis gemanifesteerd. Dit beeld staat vandaag ongewijzigd in het straatbeeld en spookt nog steeds in sommige mensen hun hoofden rond. Je kan hier Zygmunt Bauman zijn stelling aan toevoegen: ‘samenlevingen maken hun vreemdelingen’[7] , net zoals de samenleving monumenten bouwt.

h e t   i n d i v i d u

Het landschap waarin de moderne mens leeft bestaat vandaag uit zo’n monumenten, waarvan het ene al consistenter gebouwd is dan het andere. Maar één ding is zeker: het landschap is sinds het kolonialisme nog denser geworden. Met elk afzonderlijk monument zijn eigen onderzoekers die op zoek zijn naar betrouwbare elementen. Zo wordt elk individu opgeleid en werkt hij of zij binnen een eigen onderzoeksdomein. Doorheen hun onderzoeksveld staan ze in verbinding met elkaar en vormen ze samen een gemeenschap. Het onderzoek is vandaag zo gespecialiseerd geworden dat de kennis van een verschillend onderzoeksdomein haast onbestaande is. Met dat gevolg dat elk opgetrokken monument zijn eigen afgesloten gemeenschap kent. Dit toont aan hoe de moderne mens geïsoleerd raakt in zijn eigen absolute waarheid. Zelfs binnen zijn eigen gemeenschap verdwijnt hij door de complexiteit van het zoeken naar volmaakte elementen.

Ook in de vrijetijdsbesteding gaat het individu een zoektocht met de persoonlijke absolute waarheid aan. Hij of zij wordt in de consumptiemaatschappij daartoe verleid om zich te verbinden met een product dat die waarheid presenteert. Het is in die vrijetijdsbeleving dat het individu aangesproken wordt als consument, waarbij hij de keuzemogelijkheden heeft om voor een product te kiezen. Producten die zich als een volkomen waarheid aanbieden en op het verlangen van de consument aansturen. Het was Edward Berays die Amerikaanse bedrijven begin 1920 leerde hoe je mensen kan laten verlangen naar iets wat ze helemaal niet nodig hebben. Als neef van Sigmund Freud nam Berays als eerste de theorie van de menselijke natuur van zijn nonkel over en paste die toe om de massa te manipuleren. Freud wijst in die theorie op de primitieve en agressieve kracht die verscholen zit in het onderbewustzijn van alle mensen. Krachten wanneer ze niet gecontroleerd worden leiden tot chaos en vernieling van het individu, dus ook tot de vernieling van de samenleving. Zij die de macht hebben, zoals kapitaal krachtige bedrijven machtig zijn, passen Freud’s theorie toe om de massa te controleren met hun producten. Via het onderbewustzijn trachten die bedrijven de mensen te verleiden tot het aankopen van hun product. Doordat de katholieke kerk en de staat in het Westen de controle op het individu verloor namen bedrijven de controle op de primitieve en agressieve krachten van het individu van hen over. Dit werd mede mogelijk gemaakt doordat de tijd van massa democratie in de 20ste eeuw was aangebroken. Je kan de producten dan ook vergelijken met de symbolen van een religieuze gemeenschap of nog anders gezegd als de bouwstenen van een vesting, een nederzetting. Al deze abstracties zijn uiteindelijk op zichzelf een gevolg van een onderzoek in een productontwikkeling waarbij het eindproduct zich als een absoluut monument manifesteert.

Door al deze specialismen kan het individu niet langer gevat worden onder de subsystemen van de samenleving maar wordt elk individu een vreemdeling ten aanzien van de ander, Bauman heeft het over de universele vreemdeling. Het individu klampt zich graag vast aan een specialisme net omdat het een gevoel van identiteit biedt. Maar daardoor ontwijkt hij zijn of haar existentiële keuzes van zijn persoonlijk leven. Hij wordt gedreven door de angst om als individu alleen in dat landschap achter gelaten te worden. En dit wordt versterkt door de snelheid waarmee de groeizucht van abstracte monumenten zich in de gemeenschap manifesteren. Maar als je dieper in dat landschap graaft kom je uiteindelijk op de bodem terecht, waarop alle monumenten gefundeerd staan. Daar op de bodem wordt een horizonversmelting zichtbaar. Het existentiële waar elke mens, elk individu zich mee verbonden kan voelen is een gemeenschappelijke verbinding. Het feit dat je als mens op deze aardkorst gedropt wordt en niet weet wanneer je terug in die aardkorst verdwijnt schept een band. Het is daar op deze bodem dat je de ander met zijn of haar gelaat ontmoeten kan.

d e   a n d e r

Elk heeft zo zijn eigen manier om op deze aardkorst om zich heen te kijken en dus ook naar de ander. Zo beschouw je de objecten en personen doorheen jouw persoonlijk vergrootglas, waarvan de lens door je eigen ervaring ingekleurd wordt. Ervaringen die zoals in het voorbeeld van het koloniaal verleden aantoont dat monumenten geconditioneerd kunnen zijn. Door welke lenzen je ook kijkt ze zullen elke nieuwe ervaring op de werkelijkheid beïnvloeden. Het is dan ook een oefening om je eigen kleur van lenzen te herkennen. Enkel door het bewustzijn van jezelf die de kennis van het eigen subject is kan er een bevrijde beschouwing van de werkelijkheid plaatsvinden. Friedrich Nietzsche heeft het over contemporaniteit een hedendaagsheid als een bijzondere verhouding tot het heden, die zowel uit vasthouden van als afstand nemen tot bestaat. Via een beweging van ontkoppeling van je eigen gekleurde lens en een verschuiving naar een niet eigen lens ontstaat een onthechting waardoor men los komt van het heden. Hierdoor wordt men actueel en contemporain, zo schrijft Nietzsche. Zo kan het heden scherper gevat worden en de tijd beter doorgrond waargenomen worden. Het is vanuit deze bevrijde blik dat het kijken naar de ander als een ontmoeting doorgroeien kan. De ander die net als jezelf een universele vreemdeling is, voedt onze nooit ophoudende dialoog met de wereld. Een dialoog die enkel tot een filosofische redenering kan komen vanuit een wederzijdse vraagstelling, net zoals Socrates daarvan overtuigt was. Dit onafgebroken proces van vraag en antwoord wordt met elk antwoord terug een nieuwe vraag.

We benaderen de ander altijd vanuit datgene wat we zelf kennen en ervaren, meer bepaald vanuit ons eigen lichaam. Een waarheid dat in het proces tot het subject van kennis ontwikkeld wordt. Om tot dat subject van kennis te komen doorloopt de mens een proces dat begint met een zintuigelijke ervaring, waarna die gestructureerd wordt door de verbeelding en  pas in het laatste stadium door het verstand categoriseerd wordt. Het lichaam is dus in de ervaring van de werkelijkheid door de zintuiglijkheid de eerste toegang tot de ander en de wereld. De ander die vanuit zijn eigen ervaring een andere kennis, een ander weten bezit. Door dat vreemde zijn we aangetrokken om met de wereld met de ander in dialoog te gaan. De verschillende verschijningsvormen van het ‘zijn’ geven ons een beter inzicht in de fundamentele eigenschappen van de werkelijkheid. Doorheen de ander zijn we dus in staat om de werkelijkheid beter te begrijpen.

Stel dat we aannemen dat de werkelijkheid een wereldkaart is op een schaal van één op één. Door het samenleven van mensen met verschillende kennisontwikkeling is deze kaart gevouwen tot zakformaat. Met elk persoon op de zichtbare kant van de kaart zijn eigen woongebied dat door zijn eigen subject van kennis gedetailleerd wordt. Door die persoonlijke zichtbaarheid van de totale kaart blijft de blik op de gevouwen werkelijkheid beperkt. Zolang de ander niet ontmoet wordt krijgen we enkel dat persoonlijke gedeelte te zien. De andere universele vreemdeling krijgt namelijk door zijn eigen woonplaats in de wereld een verschillend deel van die kaart te zien. Je zou er kunnen heen reizen en dat woongebied van de ander optekenen of zoals in het voorbeeld uit het koloniaal verleden wetenschappelijk beschrijven, maar nooit zal je in detail de werkelijkheid leren kennen. Zolang je niet in een ontmoeting de dialoog met de ander aangaat blijven gedeeltes van de werkelijkheid verborgen. De ander bezit namelijk een weten en dit vanuit zijn subject van kennis. Dat onzichtbare gedeelte van de kaart kan opengevouwen worden door een dialoog die vanuit een ontmoeting plaats vindt.

Emmanuel Levinas schrijft “De ontmoeting met de ander die mij zijn gelaat toont is de eerste ervaring die mijn bewustzijn doet ontwaken”[8]. Een bewustzijn van jezelf dat tot een contemporain zijn leidt die zowel uit vasthouden als afstand nemen tot bestaat en dit vanuit de verhouding tot de ander. Hierdoor krijg je inzicht in de verschillende mogelijkheden van het kijken dat de werkelijkheid bepaald. Er ontstaat een ethische ontdekking die tegelijk het fundament is voor dit schrijven: ‘ m o n u m e n t e n   e n   k e t t e r s ’. “De ander beveelt mij, stuurt een moreel appèl naar mij uit. Hij geeft mij orders net door zich daarvan te onthouden. Hij vraagt niet, maar toch gaat er een vraag van hem uit. Hij spreekt tot mij in zijn stilte. We worden aangesproken door zijn gelaat, een gelaat dat ethische verantwoordelijkheid in ons oproept.”[9]

m o r a l i t e i t

Hannah Arendt heeft het over de relatie tussen handelen en politiek, hoe deze relatie in de geschiedenis meer een centrale rol opeist. Waar de mens voorheen meer belang hechtte aan arbeiden, werken en handelen, ziet Arendt in het licht van een totalitaire staat dat het belang omgekeerd is en politiek de bovenhand voert. Arendt ziet daarin enorme consequenties voor de vrijheid en het vrij denken van de mens. Vrijheid bestaat namelijk enkel binnen netwerken van sociale relaties en is daarom altijd een vrijheid met en tussen mensen. Als politiek in de totalitaire staat van Arendt de bovenhand voert, bepaalt deze op welke manier de relaties tussen mensen kunnen plaatsvinden. De politieke agenda heeft dan rechtstreeks een invloed op de relaties tussen mensen onderling. Het is een relatie die makkelijk te conditioneren is net doordat de mens ook een irrationele persoonlijkheid heeft. De mens maakt dus niet enkel keuzes op basis van zijn rationele vermogen maar ook met zijn irrationele persoonlijkheid. Deze persoonlijkheid kent twee menselijke condities: de ambivalentie en het existentiële. We kunnen dus stellend dat de mens gefragmenteerd is uit verschillende fragmenten bepaald door de menselijke condities. Deze condities voeden de persoonlijke keuze, dus ook die van de relatie met de ander. De relatie is dus van nature in conflict doordat elk subject eigen emoties voelt die verschillend zijn van die van de ander. In de psychoanalyse spreekt men over ambivalentie, het verschil aan emoties die binnen eenzelfde persoon kunnen plaatsvinden. Emoties die gereguleerd zijn aan hetzelfde object, idee of persoon. Maar de intersubjectieve relatie is ook van nature onzeker en dit vanuit het existentieel ‘zijn’. Elke mens wordt in zijn of haar leven ertoe gedwongen keuzes te maken. Keuzes die vanuit het subject van kennis gevoed worden en gekleurd zijn door ambivalentie en onzekerheid en ook dit in de relatie tot de ander.   

Vanuit de onzekere ambivalente relatie met de ander maken wij een morele keuze die de  handeling bepaalt. Het zijn deze morele handelingen die in een gemeenschappelijke context als correct en wenselijk gezien worden. In de Westerse samenleving vind je die morele handeling binnen de maatschappij waar de mens ‘burger’ is geworden, waar hij of zij zowel rechten als plichten kent. Daarbinnen heeft de burger zijn handelingen en dit ook ten aanzien van de ander. De handelingen ten aanzien van de universele vreemdeling wordt er bepaald door de moraal van de maatschappij. De kritische bezinning van deze handelingen worden door de moraalwetenschappen onderzocht. Dit is dan ook een constante bevraging van het handelen dat doorheen de geschiedenis zich heeft geëvalueerd. Zo kijken we vandaag met een kritischere blik naar de handelingen die tijdens het kolonialisme hebben plaats gevonden en leren we dat het christendom daar de ethische kantlijnen van het kader mee bepaald heeft. In algemene zin probeert ethiek de criteria vast te stellen om te kunnen beoordelen of een handeling als goed of fout kan worden gekwalificeerd. Het zijn deze criteria die de motieven en de consequenties van de handeling evalueren binnen een maatschappij. We weten nu dat ethiek een systeem is dat zich binnen een gemeenschap bevindt en in het beste geval constant in verandering is.

Om verder te gaan keren we terug naar de metafoor van de werkelijke wereldkaart op een schaal van één op één. Deze kaart vouwen we nu vanuit het persoonlijke zakformaat verder open tot het formaat van een gemeenschap waar verschillende personen in eenzelfde gebied woonachtig zijn. De kaart vertoont daarbij vouwen die het plooien van de kaart achterlaat en die de contouren zijn van elk subject in zijn of haar woongebied. Zo heeft de gemeenschap als een geheel ook zijn eigen plooi die het gebied afbakent van de totale wereldkaart. Dit is de grens waarbinnen de mensen zich tot een gemeenschap verbinden, alles wat erbuiten staat is dat niet. De plooi op zichzelf is de modus die als een toestand of een wijze waarop de grens zijn vorm aanneemt. Deze specifieke plooi kunnen we in het voorbeeld van de wereldkaart ook zien als de ethiek van die bepaalde maatschappij. De reden daarvoor is dat deze plooi de afbakening is die de voorwaarden bepaalt hoe de mensen binnenin dit samenleven met criteria begrensd worden. Deze vastgelegde plooi evalueert dus de intersubjectieve relatie tussen de subjecten en geeft die relatie daardoor een specifieke vorm. Ze bepaalt de handelingsmogelijkheden van de mensen en controleert of die voldoen om tot de gemeenschap te behoren.

Het is ook deze plooi die we kunnen vergelijken met de grenzen van een natiestaat of de omwalling van een vesting net als die van een koloniale nederzetting, eerder in deze tekst  beschreven. In die laatste context legt het absolute monument god binnen de geloofsgemeenschap het volk de contouren op voor wat goed of fout is. Vandaag weten we door het grote verschil aan gemeenschappen dat er enorme verschillen aan ethische systemen bestaan. Daarbij is het ene systeem al meer in verandering dan het andere. Ethische systemen kunnen dus verschillende vormen aannemen, hieruit kunnen we concluderen dat ethiek nooit universeel kan zijn. Zoals eerder beschreven is er altijd een dialoog mogelijk en het is de vraagt hoe deze tot stand kan komen. Vanuit een persoonlijke moraliteit kan een ethische dialoog tot stand komen en daarbij is de wil om in gesprek te gaan van belang. Ethische systemen horen in vraag gesteld te worden en dit vanuit een persoonlijke moraliteit in dialoog met anderen. Deze vraagstelling is van belang net omdat die een impact hebben op de intermenselijke relaties. De relatie tussen de ander en ik & ik en de ander.

d e   w e r e l d

We hebben het gehad over het subject ‘ik’ en ‘de ander’. Hoe die onderling in relatie zijn met elkaar en wat die relatie conditioneert. Om te begrijpen hoe de intersubjectieve relatie vandaag zijn vorm aanneemt moeten we de context waarin deze relatie plaatsvindt bekijken. Deze context is de wereld, dat dun laagje rond de planeet aarde waarin wij mensen ons bestaan kennen. Het is de ruimte rondom het subject waarin alle intersubjectieve relaties plaatsvinden. Deze wereld wordt ook gekenmerkt door objecten die er als monumenten in aanwezig zijn. Objecten die door de zintuiglijke waarneming van het subject kunnen ervaren worden. Het object en het subject verhouden zich dus op een specifieke mannier tot elkaar. Om deze relatie beter te begrijpen zijn er enkele stadia om te doorlopen, waarbij voornamelijk gekeken wordt naar de verhouding tussen objecten en subjecten. Stadia die in dit schrijven enkel aangeraakt worden, maar noodzakelijk zijn om een idee te kunnen formuleren over hoe de wereld vandaag is vormgegeven. Of in de gedachte van de metafoor van de één op één wereldkaart, hoe die vandaag geplooid is.

We beginnen bij de moderniteit waarbij er een tegenstelling is tussen subject en object. Om dit beter te begrijpen is de vergelijking met dynamisch en statisch hier op zijn plaats. Waarbij het subject de mens als onbepaald dier gedwongen wordt keuzes te maken. Het existentieel ‘zijn’ dwingt de mens ertoe om de tijd tussen het moment van de geboorte en het moment van de dood het eigen leven op aarde een eigen betekenis te geven. Door deze overweldigende  keuzemogelijkheden van de mens kan het subject als dynamisch gecategoriseerd worden. Zijn keuze waaruit de handeling ontstaat wordt zowel vanuit een rationeel als een irrationeel vermogen bepaald. Waarbij het rationeel vermogen gekenmerkt wordt door de wet van de toereikende grond, zoals eerder beschreven zijn alle handelingen in deze wet in geen geval toevallig. Het irrationele vermogen wordt bepaalt door de menselijke conditie van het existentieel ‘zijn’ en de ambivalentie, eerder beschreven bij Arendt. Het object is in deze vergelijking bij het project moderniteit een statisch object omdat het geen bewegingsruimte kent zoals het subject zijn keuzemogelijkheid heeft. De moderniteit gaat er daardoor vanuit dat er tussen het statische object en het dynamische subject geen wederzijdse relatie mogelijk is, beide staan met andere woorden tegenover elkaar. Als we het object verder bekijken als een monument zien we dat dit steeds tot stand komt vanuit het subject. Het is dus steeds een creatie van het subject dat vanuit een absoluut weten zijn specifiek monument opbouwt. Eens de opbouw afgerond is en het monument zijn finale vorm aanneemt functioneert dit in het project moderniteit als een statisch object. De ander ervaart die unieke vorm van het monument letterlijk als een massief object dat als voorgeworpen werkelijkheid ervaart wordt. Zo bouwt de mens zijn monumenten in de wereld vanuit het idee dat die volkomen maakbaar zijn. Deze monumenten komen door een gebrek aan een onderlinge relatie naast elkaar te staan. Zo ontstaat er een landschap waar elk object gebouwd is vanuit een absoluut weten. Bij het rondkijken in de wereld verhoudt het subject zich tot die verschillende opgetrokken objecten. Het subject wordt daardoor in zijn of haar ervaring van dat landschap steeds van de ene modus door een andere afgelost en dit net door het verschil aan unieke objecten zowel doorheen de tijd als binnen hetzelfde tijdperk. Elk gebouwd monument heeft een eigen modus en dit omdat het ontwikkeld is vanuit een eigen absoluut weten. Doordat er in de moderniteit tussen de objecten onderling geen relatie bestaat kunnen we stellen dat de moderniteit een project is van uitsluiting. Elk uniek object dat zijn ontwikkeling kent vanuit een absoluut weten staat letterlijk als een statisch object naast een ander object in het landschap. We kunnen concluderen dat er tussen het subject en de voorgeworpen werkelijkheid, dat het object is, in de moderniteit een tegengestelde verhouding is. Dit houd in dat moderniteit een project is van uitsluiting van de onzekerheid en de ambivalentie van de ander. Net omdat de ander geen deel uitmaakt in de ontwikkeling van het object.

Er zal altijd een pluraliteit van mensen en wereldbeelden zijn, waarbij de ene macht uitoefent over de ander. Het postmodernisme is daarin een volgend stadium en aanvaardt dat er nooit een orde gebaseerd op een absolute waarheid bekomen kan worden. Vanuit het oogpunt van de gedeelde intersubjectiviteit is de uitsluiting van onzekerheid en ambivalentie problematisch. Er wordt namelijk in de moderniteit geen rekening gehouden met de intermenselijke relatie die van nature in conflict zijn. Daaruit kan je stellen dat de strijd om één ieders gelijk met het absolute waarheidstreven zoals in het project moderniteit in essentie een banaliteit is. Als alle argumenten uitgesproken zijn houdt ook het gesprek op, dan blijven er nog enkel definities over. Zoals de verkrampte relatie in het voorbeeld van de atheïst en de god gelovige, dat aantoont hoe de tegenstelling de verhouding blokkeert. Ze komen tegenover elkaar te staan elk met een waarheid die voor elk volkomen absoluut is. Deze definities van abstracties worden als statische monumenten door de mens overeind getrokken.

Doorheen de geschiedenis heeft de mens altijd de drang gehad om volkomen waarheden te definiëren. Deze objectivering plaatst hij dan als monumenten in de wereld waardoor een opeenstapeling van abstracte begrippen het landschap van de ervaringen bepaalt. Het zijn die abstracte monumenten die verschillend van vorm zijn en die vandaag binnen de psyche van de mens de bovenhand krijgt binnen eenzelfde doel. Namelijk de zoektocht naar erkenning van de ander, de medemens. Hij die door zijn medemens erkend wordt voor zijn keuze in het leven, die medemens rechtvaardigt zijn abstract monument. Het is dit voortdurend proces waaraan de Westerse mens zijn evolutie opdraagt, bestaande uit die opgetrokken monumenten. Dit manifesteert zich binnen de samenleving en beïnvloedt het netwerk van relaties tussen mensen.

De sociologie tracht keer op keer de relaties tussen mensen op te helderen. Vanuit het sociologisch onderzoek kunnen we doorheen de geschiedenis de impact van die abstracte monumenten op de samenleving bestuderen. Daarin kunnen we zien hoe de samenleving geëvolueerd is van een maatschappij met burgers die zowel rechten als plichten hebben, naar een maatschappij die getransformeerd is tot een consumptiemaatschappij. De mensen van die gemeenschap worden vandaag persoonlijk op het internet als consumenten aangesproken. Door het centraal stellen van consumptie ontstaan er effecten van meer geïndividualiseerd zijn, met de onderlinge concurrentiestrijd als een gevolg daaruit. Doordat het doorgedreven consumentisme als norm zich binnen de samenleving manifesteert, verdringt het samenwerking en solidariteit. Van oorsprong voeden deze verbindingen het netwerk van relaties tussen mensen waardoor een gevoel van zekerheid aanwezig is.

De mens is door zijn concurrentieel gedrag aangekomen in het volgend stadium, dit van de vloeibare moderniteit. Deze term werd geïntroduceerd door de socioloog Zygmunt Bauman, en wijst op een tijd waar onzekerheid nog de enige zekerheid is. De individualisering met het doorgedreven consumentisme werkt er normatief vanuit de kapitaalzucht. Deze consumptiemaatschappij heeft als instrument de verleiding. Elk product staat er als een monument in dat landschap. Met dit verschil dat het subject die de voorgeworpen werkelijkheid ervaart aangesproken wordt als een consument. Via een dominante vorm van verbeelding wordt getracht om de consument tot het product te verbinden. Elk product heeft daarvoor een eigen marketingstrategie die de consument in het landschap van de verschillende producten tracht te verleiden. Zo dwaalt het subject tussen de monumenten en wisselt de ervaring van de ene modus door een andere. Dit verschil aan ervaringmodus kent een geschiedenis in de tijd. De verandering van de ervaringmodus gaat dag op dag sneller en dit gebeurt door de technologische evolutie. Deze vluchtigheid in de consumptie van producten is geconditioneerd en dit door een dominante vorm van verbeelding die als verleidingsmechanisme in de samenleving opereert. Het zijn deze mechanismen die de intermenselijke relaties in de vloeibare moderniteit beïnvloed.

Het kapitalisme dat het vergaren van alle vormen van kapitaal centraal stelt, bepaalt vandaag  de menselijke relaties. Het is noodzakelijk om dit te bekijken willen we die onderlinge relaties leren zien en begrijpen hoe die zich verder tot machtsverhoudingen hebben ontwikkeld. Via het liberalisme heeft het kapitalisme zich op de vrije markt verder kunnen ontwikkelen. Van oorsprong is het liberalisme democratisch en stelt het iedereen op een gelijke voet. Daarvoor is er een democratische macht nodig die aan de hand van wetten dit mogelijk maakt. Liberalen streven naar een samenleving waarin burgers grote vrijheden genieten, zoals de burgerrechten die het individu beschermen en de macht van de staat en de kerk beperken. De kapitaalzucht van de mens heeft de liberale ideologie toegepast op de economische markt, waarbij de voorwaarden om eraan deel te nemen voor iedereen mogelijk werd gemaakt. Hierdoor is de kapitaalgroei via de vrije economische markt kunnen aanzwengelen. Vandaag is meer dan ooit de mens verbonden met de wereldwijde beursgang van goederen, grondstoffen en diensten. Doordat er meer mensen zich aan deze markt verbinden om hun eigen persoonlijk kapitaal te laten groeien stijgt er een vraag naar datgene wat aan marktwaarde kan toenemen. Het zijn net deze groeistijgingen dat de handelaar in marktaandelen tracht te voorspellen, zijn gedrag is dan ook speculatief en onzeker. Zolang er een weelde aan mogelijkheden zijn om die groei mogelijk te maken is er geen probleem. Het is pas problematisch als er een schaarste op de markt opduikt of als de groeizucht voor de kapitalist te traag verloopt. Pas dan is duidelijk zichtbaar hoe wij mensen op die vrije economische markt concurrenten van elkaar zijn. Verder toont dit systeem aan dat de groei exponentieel verloopt. Dit wil zeggen hoe groter het kapitaal hoe meer kapitaalgroei genereert  kan worden. Het is dit effect dat de samenleving ontwricht doordat de ongelijkheid tussen de mensen ook exponentieel verloopt, wat erop neer komt dat de kapitaalkrachtige zich via deze curve verrijkt en de mensen op de straat door het gebrek aan kapitaal achtergelaten worden. Het kapitalisme met de vrije markt is dus net als de moderniteit een project van uitsluiting. Het is deze ongebreidelde kapitaalzucht van de mens die hem in een homo economicus heeft veranderd.

Vandaag bevindt de homo economicus zich in de vrije economische markt van dat kapitalisme dat vanuit de liberale waarden geen regulering toelaat. Het kapitalisme is vandaag het overheersende economische systeem dat de gehele wereld heeft ingesloten. De kapitaalkrachtigen halen daar het meeste voordeel uit om hun groei door te zetten. Zo zijn er kapitaalkrachtige mensen die op wereld valk een staat uitkiezen met de laagste belastingdruk, zo de groei van hun persoonlijke kapitaal maximaal te bevorderen. In 2015 werd voor het eerst duidelijk op welke schaal dit georganiseerd wordt. Onder leiding van de krant Süddeutsche Zeitung en het International Consortium of Investigative Journalists werden mechanismen blootgelegd en dit mede dankzij een lek. Vertrouwelijke documenten van de Panamese zakenman Mossack Fonseca wijzen op netwerken van legale belastingontwijkingen. Daarnaast ging het ook om belastingsfraude of andere illegale activiteiten, zoals het omzeilen van handelssancties. De Panama Papers bewijzen hiermee dat de groeizucht van de kapitalistische mens ontspoort is door het open stellen van de vrij markt. In deze doorgeslagen groeizucht ontwijkt die mens zijn verantwoordelijkheid en dit ten aanzien van zijn medemens. De zoektocht van de homo economicus naar ongereguleerde vrijheid zorgt ervoor dat de bescherming verdwijnt. Pas als de menselijke relaties noodzakelijk zijn in het dagdagelijkse leven is de mens instaat om solidair te zijn. Maar de vrije markt neemt deze solidaire bescherming weg waardoor de onzekerheid toeneemt. De markt staat centraal zodat de homo economicus meer kapitaal verzamelen kan. Doordat de individuele mens niet meer centraal staat zoals in het liberalisme, maar de vrije economische markt die plaats inneemt, spreken we over neoliberalisme.

h e t   p o l i t i e k e

Het neoliberale beleid werd in de jaren zeventig en tachtig vaak met bevelen en machtsvertoon opgelegd. Tegenwoordig komt het in Europa en Noord-Amerika eerder tot stand met behulp van specifieke beleidstechnieken op basis van consensus. Op het niveau van lokale besturen zie je hoe zij afhankelijk zijn geworden van projectontwikkelaars, die bijvoorbeeld de vergunning krijgen om de stad in de ruimtelijke ordening te ontwikkeling. Het maken van winst is voor de projectontwikkelaar het aller belangrijkste en duwt het maatschappelijk belang opzij. Als gevolg hiervan zijn lobbyisten in politieke kringen de norm geworden, zij trachten bij de politieke macht de vergunningen voor hun eigen project te verkrijgen. De politieke macht is vandaag niet daadkrachtig genoeg en dit door het gebrek aan financiële middelen om de stadsontwikkeling uit te voeren. Het bestuur is daardoor  genoodzaakt om projectontwikkelaars in te schakelen in de ontwikkeling van de stad. Onder politieke consensus krijgt zo de neoliberale logica de bovenhand in maatschappelijke belangen. Het neoliberalisme regeert als gezond verstand dat overal waar het zich vestigt, nestelt en bevestiging krijgt. Foucault heeft het over neoliberalisme als een orde van de normatieve rede. Wanneer deze normatieve rede dominant wordt en de norm aanneemt van een bestuursrationaliteit kan het neoliberalisme zich uitbreiden tot elk aspect van het menselijk leven. Specifieke formuleringen van economische waarden, praktijken en meeteenheden hebben hierdoor een invloed op het dagelijks leven van elke mens. Wendy Brown spreekt over termieten en maakt zo de vergelijking met neoliberalisme. Het neoliberalisme is een denkwijze die via haarfijne gaatjes doordringt in de stammen en takken van werkplekken, scholen, overheidsinstellingen, sociale en politieke discussies, en vooral het subject. Natuurlijk ontstaat er wel eens oproer, zoals betogingen en aanvaringen met de politie over privatisering van publieke goederen, de repressie van vakbonden, de verlaging van uitkeringen, bezuinigingen op overheidsdiensten enzovoort. Onder het juk van de markteconomie moet alles en iedereen gebukt gaan en wie zijn rug daaronder rechten wil kan zich nog enkel tot die markt verhouden. Het neoliberalisme functioneert er als een abstract monument waaraan de gemeenschap haar erkenning geeft. Net zoals een god voor de geloofsgemeenschap van absoluut belang is, wordt de vrije markt het abstracte begrip voor het neoliberalisme. Religieuze symbolen worden er vervangen door producten die de consument verleiden.

De manier waarop het neoliberalisme zich ontwikkeld binnen een gemeenschap heeft gelijkenissen met het kolonialisme, symbolen spelen daarbij een belangrijke rol. Religieuze symbolen uit de koloniale nederzetting zijn in het neoliberalisme vervangen door consumptie producten. In beide vervullen de symbolen de rol om de gemeenschap bijeen te houden, die  hecht dan ook veel belang aan de bescherming ervan. Vanuit het koloniale verleden weten we vandaag dat die bescherming gepaard ging met geweld. De ander, die als vreemde aanzien werd net omdat hij of zij de symbolen van de gemeenschap niet erkend, werd als vijandig aanzien. Zoals eerder uit het voorbeeld van het koloniale verleden kunnen we zien welke mechanismen zich ontwikkelen om het vreemde te marginaliseren. Hoe die vreemde door de beschrijving geobjectiveerd werd in teksten. Hierdoor werd een draagvlak gecreëerd voor een  consensus die het verbannen van de vreemde uit de gemeenschap mogelijk maakte. Het geweld dat toen daarbij gepaard ging was door de objectivering voor het volk, de mens niet altijd zichtbaar. Maar vandaag is vanuit historisch perspectief duidelijk zichtbaar hoe dat geweld tijdens het kolonialisme heeft plaatsgevonden. Het voorbeeld van Bartoloméo dat eerder in deze tekst aangehaald werd toont dit aan. Om de vergelijking naar het neoliberalisme te maken is te zien hoe ook hier de producten als symbolen centraal staan. Hoe deze symbolen de gemeenschap bijeen houden en hoe getracht wordt om deze op vele manieren te beschermen. Daar komt ook geweld aan te pas, dat vandaag niet zo zichtbaar is net zoals het voor de mens in de koloniale tijden niet duidelijk was. Er zijn nog meer gelijkenissen die te vergelijken zijn tussen het kolonialisme en het neoliberalisme van vandaag. Neem bijvoorbeeld de omwalling van de koloniale nederzetting die letterlijk de gemeenschap bescherming biedt om de vreemde op afstand te houden. Vandaag zien we hoe staten die het neoliberale systeem hanteren hun interne markt trachten te beschermen en dit tegen de vreemde. Deze staten handelen uit angst dat de gemeenschap van de vrije markt  verstoord wordt, waardoor economische groei zou kunnen afnemen.

Muren voor het bouwen van een omwalling van een vesting worden anno 2019 letterlijk als belofte in democratische verkiezingen gebruikt, dit om de stemmen van de angstige burger te winnen. Denk daarbij aan de campagne van Donald Trump, Jair Bolsonaro, Nigel Farage, Marine Le Pen, Thierry Baudet, Tom Van Grieken,… Het politiek systeem van de dominante Westerse samenleving is gebaseerd op consensus. Deze democratische consensus wordt vandaag met de spelregels van het neoliberalisme gespeeld. Wat betekent dat ideologische standpunten aan de economische markt onderworpen worden, zo de kapitaalgroei te kunnen door zetten. Elk individu binnen de samenleving kan zo mee profiteren van die groei van de welvaartstaat. Als de meerderheid van burgers in de economische groei gelooft heeft het neoliberalisme geen probleem. Kapitaalkrachtigen kunnen daardoor als projectontwikkelaars blijven investeren met als doel winst te boeken. Door het geloof van het volk in de vrije markt kan het neoliberalisme ook als democratische consensus aan de macht blijven. Zolang dit het geval is valt het neoliberale systeem samen met de samenleving. Dit betekent dat de economische groei in deze bestuursrationaliteit het allerbelangrijkste is voor de samenleving. Net zoals een bedrijf gemanaged wordt is het bestuur van de samenleving erop gericht om economische groei te genereren. Het neoliberalisme krijgt door de democratische consensus greep op het politieke systeem. De bestuursrationaliteit van deze politiek heeft de macht en kan in gestemde wetten rechtstreeks invloed uitoefenen op de intersubjectieve relaties, ongeacht of die politieke macht de maatschappelijke belangen vertegenwoordigd. Zolang het geloof van de burger in de groei van economische markt vertaald wordt door de volksvertegenwoordigers in het parlement blijft het neoliberale systeem aan de macht. Zo waarschuwt Hannah Arendt voor het totalitarisme, dat door de massa in een politieke consensus vertegenwoordigd wordt. De gehele maatschappij wordt daarbij ondergeschikt aan het politieke systeem en dringt tot in de haarfijne gaatjes van de stammen en takken van de samenleving door.

Hannah Arendt schrijft over de totalitaire staat dat de morele omgang met de ander meer particulier gemaakt moet worden en dit door een geanticipeerde dialoog, waarbij we het eigenbelang overstijgen en denken in termen van gedeelde intersubjectiviteit. ‘Het politieke’ waar Chantal Mouffe voor staat heeft te maken met toegepaste ethiek waar men morele tegenstellingen tracht op te lossen in een morele consensus, die precies omdat hij tot stand komt op basis van beargumenteerd overleg, aanspraak maakt op morele geldigheid. En niet waar politieke tegenstellingen begrepen worden vanuit de economische categorie van de markt waar het neoliberaal consensus denken zijn plaats heeft. Politieke tegenstanders worden er beschouwd als concurrenten die tegen elkaar strijden voor de verovering van het grootste marktaandeel aan stemmen. Het neoliberaal consensus denken verhindert volgens Mouffe het inzicht in niet rationele factoren zoals dromen, passie, fantasie, verlangen, ontgoocheling en hoop. Dit zijn volgens haar de individuele verankerde motivaties die de drijvende politieke kracht zijn. Politiek heeft onvermijdelijk met conflict te maken, schrijft Mouffe. Het gaat altijd gepaard met een ‘wij’ versus een ‘zij’. Het zodanig opdelen van de sociale ruimte dat er nog enkel twee antagonistische polen overblijven, door betekenissen en identiteiten. In de collectieve identiteit hebben we altijd een ‘wij’ dat alleen maar bestaat als onderscheid met een ‘zij’. Dit betekent niet dat zo’n relatie er een is van vriend of vijand. Maar we zouden wel moeten erkennen dat de mogelijkheid altijd bestaat dat deze antagonistisch wordt. Felle tegenstellingen waar de wij/zij verhouding vijandig wordt, gebeurt wanneer de ‘zij’ opgevat worden als zodanig dat het ‘wij’ in zijn bestaan bedreigd wordt. Mouffe pleit voor democratie in de vorm van een ‘agonistisch pluralisme’ waarbinnen conflicten niet ontkend worden, maar in plaats van antagonismen op een positieve manier geuit worden. Het uitgangspunt is in een samenleving het verschil aan  sociaal-culturele overtuigingen en die kunnen naast en bij elkaar bestaan. Bij aanvang van deze tekst wordt het voorbeeld aangehaald tussen de tegenovergestelde mening van de god gelovige en de Atheïst.

Uit het koloniale verleden leren we dat traditionele symbolen berusten op een machtsstructuur die de sociale rollen verdeeld heeft, alsook de onderlinge relatie tussen mensen. Later krijgen we het kapitalisme dat aangevoerd wordt door het neoliberale systeem dat onder leiding van de democratische consensus de productie van producten vooropstelt. Hiermee verdwijnen de  traditionele sociale rollen en daarbij ook de traditionele symbolen. De tegenstelling tussen kapitaal en arbeid, tussen winst en loon, bieden geen enkel actieve symbolisatie die een universele waarde kan vertegenwoordigen. In de vloeibare moderniteit is er enkel het brutale en onafhankelijke spel van de economie, de neutrale a-symbolische heerschappij. Karl Marx noemt dit spel “de ijskoude wateren van de egoïstische berekening”.[10] De metafoor van het ijskoude water is op zijn plaats. Als er geen plaats is voor de ander om te ‘zijn’ koelt de onderlinge relatie af. Enkel een zakelijke verhouding kent zijn noodzakelijkheid in de egoïstische groeizucht van het kapitaal. Het wordt een relatie die verder evolueert van consument naar concurrent. Paul Verhaeghe koppelt deze evolutie  aan de te term meritocratie. Iedereen wordt verantwoordelijk geacht voor het eigen succes of de eigen mislukking. Als je slaagt heb je dit aan jezelf te danken, als je mislukt ook. Het belangrijkste criterium is winst, het moet opbrengen dat is de boodschap die bij de mythe van de ‘self made man’ hoort. Dit concurrentieel klimaat koelt de ruimte tussen mensen in hun onderlinge relatie af. Deze ijskoude wateren zoals in de metafoor van Marx zullen uiteindelijk vastvriezen. Er ontstaat een statisch monument bestaande uit een massa van ijs dat gevormd is door egocentrische consensus. Vandaag zijn er reeds intermenselijke relaties die in het neoliberalisme vervormd zijn tot een ijsmonument. Maar er zijn door de menselijke conditie van het existentieel ‘zijn’ en ambivalentie altijd scheuren zichtbaar. Het zijn deze scheuren die de aanzet zijn voor een alternatief antwoord op het dominante neoliberale systeem.

Een leerling van Bauman, Willem Schinkel, introduceert de term schizotopie, en verwijst daarmee naar de scheuren in de wereld. Scheuren die vanuit de fragmentatie van de mens bestaan en bepaald worden door de menselijke condities het existentieel ‘zijn’ en de ambivalentie. Door deze menselijke conditie zullen er altijd scheuren in de intermenselijke relatie aanwezig zijn. Hoe koud het ook wordt, het water dat tot ijs vervriest zal altijd scheuren bevatten. De ervaring die in de wereld besloten is, kent dus scheuren die vragen naar  brugconstructies die alternatieve relaties binnen de samenleving mogelijk maken. Relaties die verschillend zijn van de relatie die geconditioneerd is door het neoliberale systeem. Het is een vraag naar het sociale, het is geen vraag naar een ding, een product of een statisch object dat als een monument gesymboliseerd wordt, het is een vraag naar het sociale dat een proces is. Het is een vraag die zich richt tot de productieve mens die vanuit het experiment aanzet tot een creatieve overbrugging waar de menselijke condities een plaats hebben.

De vloeibare moderniteit biedt naast de geconditioneerde druk op het subject ook mogelijkheden. De individualisering heeft namelijk voor een toenemend aantal mensen een voorheen ongekende vrijheid met zich meegebracht. Een vrijheid waarin het subject keuzes kan maken en dit nadat de basisbehoeftes van het dagelijks bestaan vervuld zijn. Het is vanuit deze eerder belangeloze keuze dat het subject een vrijheid voor het experiment kent. Doordat de basisbehoeftes vervuld zijn hoeft het experiment geen financiële meerwaarde te genereren. Hierdoor kan het experiment zich onttrekken aan de markteconomische logica van het neoliberalisme, ten minste op het financiële vlak van de basisbehoeftes. Het subject kan door de individualisering een handeling stellen die vrij en eerder belangeloos is. Maar de keuze voor dat experiment blijft binnen de maatschappij met rechten en plichten. Het is in dat experiment dat de mens terug een grond voor zelfobservatie kan vinden. Een grond voor zelfverwerkelijking, voor identiteit die hij of zij in het dagdagelijkse neoliberale systeem niet meer vinden kan. Het is hier in dat experiment dat de kunstenaar van vandaag aan het werk kan gaan. Vanuit die belangeloze handeling kan hij of zij de zoektocht aangaan naar een meer egalitaire symbolisatie.

De ketter is zoals eerder beschreven een boeiend figuur. De ketter beweegt zich vandaag in de vloeibare moderniteit en plaatst zijn experimenten als speculatieve verbeelding van alternatieven binnenin de samenleving. Daarbij richt de ketter waar dit schrijven verder over gaat, zich op de bestuursrationaliteit van het neoliberalisme, dat doorgeslagen economisch marktdenken doet het water tussen mensen bevriezen. Het besturen op grond van abstracties bestaande uit systemen, hoe noodzakelijk ook, moet permanent geconfronteerd worden met het geweld dat op het concrete leven uitgeoefend wordt. Dat concrete leven bestaat namelijk uit de intermenselijke relaties waar de menselijke condities deel van zijn. In het dagelijkse bevindt de abstractie zich in denkpatronen en in categorieën. Om het volk kennis te laten nemen van het geweld dat gepaard gaat met het vervriezen van de intermenselijke relaties tot een abstracte ijssculptuur gevormd door het neoliberaal systeem, richt de ketter zich tot de scheuren die daarin aanwezig zijn. Scheuren die vandaag over de gehele wereld aanwezig zijn maar onvoldoende zichtbaar.

Het dagdagelijkse wordt geregeerd door de politieke vorm, de democratie en is niets anders dan een medium van experimenten die een volk op zichzelf uitvoert, het neoliberale systeem is zo’n experiment. Maar het is ondertussen duidelijk dat dit experiment meer en meer de macht claimt. De inspraak van het volk, de samenleving wordt door het neoliberale systeem geconditioneerd in het consensus denken, de markt wordt er als abstract begrip centraal in de samenleving geplaatst. Vanuit het individueel verlangen en de hoop in de groei van de economische markt wordt de democratie aangestuurd. De ketter opereert niet vanuit een absoluut begrip, hij mobiliseert keuzemogelijkheden als alternatieven binnenin het absolute begrip. Schinkel beschouwt ‘de samenleving’ als een abstract begrip net doordat die samenvalt met de neoliberale consensus. Zo plaatst Schinkel ‘de samenleving’ als abstracte begrip naast het begrip ‘god’. Niemand heeft die ooit gezien en toch zijn ‘de samenleving’ of ‘god’ overal en altijd aanwezig. Net als ieder ander abstract begrip verbindt deze godheid ook diegenen die eraan twijfelen. Al is het niet de goddelijke aard van ‘de samenleving’, maar haar levenloze abstractie die voor Schinkel het voorwerp van discussie is. In abstracte begrippen is de volheid van de mogelijke ervaring van de wereld onderdrukt. Zoals eerder beschreven zijn in het project moderniteit abstracte begrippen die als statische monumenten de ervaring van het subject bepalen problematisch, net doordat ze de menselijke condities van onzekerheid en ambivalentie uitsluiten.

v e r b e e l d i n g

De vraag is niet zozeer of verbeeldingskracht effect heeft. Heel de wereld verbouwt en vervouwt zichzelf permanent via verbeelding, om zo de monumenten staande te houden of nieuwe te bouwen. De vraag is welke verbeelding we daarbij aan het werk zetten, en door welke abstractie die verbeelding wordt geproduceerd. We weten nu dat abstracties geweld uitoefenen op hun omgeving, de vraag moet dus zijn welke verbeelding het minst gewelddadig is. Het kritische aspect is van cruciaal belang, net omdat kritiek de evidenties uitdaagt. Het zoekt naar welke soort veronderstellingen, welke niet bevraagde en niet uitgedaagde denkwijzen onderliggend zijn aan praktijken die we als evident beschouwen in het dagdagelijkse leven. De denkmodus van de ketter heeft dus zowel elementen van kritiek als een mediatie in de verbeelding van wat is en wat mogelijk is. Vanuit wat er is, haalt de ketter het materiaal die elementen zijn uit de schizotopische werkelijkheid, d.w.z. een wereld met  scheuren die ontstaan in de intersubjectiviteit. Door de kritische houding ten opzichte van abstracte begrippen erkent de ketter het geweld die op de omgeving wordt uitgeoefend. Het is in de erkenning van het onzichtbare geweld dat er een weten verscholen zit. Dit weten is als een wijsheid die de weg toont naar wat mogelijk is, namelijk een werkelijkheid waar abstracties minder geweld uitoefenen. Daarbij hebben we het concept van situationist Anthon Constant in het achterhoofd: “New-Babylon als het absolute ‘Gesamtkunstwerk’, de synthese van alle menselijke activiteiten, de maatschappij als kunstwerk. De sociale ruimte wordt het medium van een nieuwe, collectieve kunstvorm, die een ononderbroken variatie van de levenssfeer bewerkt, een spel van sferen, een spel ook met de omgeving en tegen de omgeving.”[11] De ketter medieert dus in de verbeelding tussen wat er in de werkelijkheid is en wat er mogelijk is. Deze mediatie in de verbeelding gebeurt met het materiaal dat gekneed wordt van wat onzichtbaar is tot een kritische creatie die zichtbaar is. Door de zichtbaarheid staat de creatie als een voorgeworpen werkelijkheid in de wereld en kan het communiceren met een subject.

Ketterij is niet noodzakelijk iconoclasme waar er een verzet is tegen de verering van iconen en waarbij om ideologische redenen beelden verwijderd of vernietigd worden. Maar ketterij is eerder reactief, het belemmert door de kritische houding de productiviteit van het dagdagelijkse. Het bestaande maakt daarbij een deel van de alternatieve verbeelding uit. Meer in het algemeen is het zo dat bij bestaande verbeelding aangesloten moet worden om effectief te kunnen zijn. Zo remedieert de ketter eigenschappen van bestaande monumenten om tot een nieuwe betekenis te komen. In de metafoor van het monument zoekt de ketter dus niet zoals een wetenschapsmens naar absolute elementen die nodig zijn voor het bouwen van een monument. De ketter gaat met reeds bestaande monumenten aan de slag en verwerkt ze tot een nieuwe compositie van betekenis. In het algemeen kan de methode waarmee de ketter die hier beschreven wordt, gedefinieerd worden onder de term détournement. Deze term komt voor het eerst in de kunst voor en betekent omleiding, kaping. Het is een techniek die in de jaren vijftig is ontwikkeld door de Letterist International. Later is deze term aangepast door de Situationist International en gedefinieerd als ‘integratie van huidige of vroegere artistieke producties in een superieur bouwwerk van een milieu’. In de kunst staat de term détournement gekend als het hergebruiken van slogans, reclamebeelden, marketingcampagnes, om die in een nieuwe compositie tot een ander communicatiebericht te maken. Vaak staan die berichten in tegenstelling tot het oorspronkelijke bericht. Het is oorspronkelijk in het Letterisme gebruikt als een soort satirische parodie, die het oorspronkelijke werk hergebruikt of inzet. Maar ook beeldende kunstenaars gebruiken de methodiek. Zo schilderde Marcel Duchamp op een reproductie van de Mona Lisa door Leonardo da Vinci een snor en een sikje. Guy Debord en Gil J. Wolman schrijven samen in een tekst “Het is namelijk noodzakelijk om alle restanten van het begrip persoonlijk eigendom op dit gebied te elimineren. De verschijning van nieuwe behoeften overtreft de vroegere geïnspireerde werken. Het worden obstakels, gevaarlijke gewoontes. Het gaat er niet om of we ze leuk vinden of niet. We moeten verder gaan dan dat.”[12] Marcel Duchamp staat ervoor bekend dat hij veel artistieke afleidingen heeft gemaakt. Bij het principe van de readymade wordt een industrieel voorwerp uit zijn alledaagse context gehaald en wordt het tot kunst bestempeld doordat het in een museale omgeving getoond wordt. Bij de Situationisten komt détournement voor in de wijze waarop men zich verzet tegen het gezag. Elke generatie bevindt zich in een situatie die ontstaan is door een vorige generatie. Zo ontwikkelt elke generatie zijn eigen symbolen die de Situationisten hergebruiken om zich daarvan af te zetten. De Situationisten verzetten zich zo tegen de situatie van de vorige generatie en streven naar een permanente revolte tegen de macht. Zo trachten zij een toestand te bekomen van een voortdurende maatschappelijke revolutie. Hun bedoeling was dat te doen door het creëren van zogenaamde happenings.

Gekende Situationisten waren de kunstenaars van de Fluxusbeweging. Een bekend werk was ‘Piano Piece’ van George Maciunas.  Daarin is te zien hoe een pianist op een buffetpiano een eenvoudige repetitieve harmonische melodie speelt. Na enig tijd nadert een andere man de piano en stapt er onmiddellijk terug van weg. Nog een andere man komt dan weer dichter met een hamer in de hand en timmert met een spijker één pianotoets vast, en dit terwijl de pianist zijn melodie verder aanhoudt. Zo gaat dit spijkeren verder waarna de man ook spijkers stuk per stuk toebedeeld krijgt van weer een andere man die regelmatig voorbij de piano stapt. Ondertussen schildert een vrouw gehurkt met een brede kwast de zijvlakken van de buffetpiano, terwijl een andere man een doos spijkers bovenop de buffetpiano plaatst om het dicht timmeren van de toetsten toch maar niet te laten stilvallen. De toetsen die de pianist gebruikt voor het spelen van zijn melodie komen stuk voor stuk meer vast te zitten en dit terwijl hij verder speelt met de toetsen die er nog voor handen zijn… De meest ingrijpende performer is de man met de hamer die een relatie aangaat met het object doorheen een aparte  partituur met de naam ‘Piano piece #13’. Hij houdt zich aan deze richtlijnen om de spijkers in de piano te slaan. Door het opvolgen van de voorschriften verdwijnt de man in de willekeur van de denkbeeldige macht die door de partituur gesymboliseerd wordt. Later krijgt hij de hulp van een andere man die hem van de nodige spijkers voorziet, waardoor het dramatische van zijn handeling in spanning toeneemt naarmate er minder toetsen voor de pianist voorhanden zijn om de melodie te laten weerklinken. Het geheel van de happening is een afbeelding van menselijke activiteit die geconditioneerd wordt door de partituur. De denkbeeldige macht die vanuit een abstractie de performers aanstuurt, het geweld dat daarbij gepaard gaat wordt in ‘Piano Piece’ van George Maciunas zichtbaar gemaakt, maar blijft binnen de veilige muren van de kunstinstituties.

De verbeelding van de ketter sluit aan bij de Situationisten, ook de ketter zet zich af tegen het voorgaande, tegen de situatie die door vorige generaties ontwikkeld werd. Elke generatie heeft zijn eigen symbolen en bouwt zijn eigen monumenten. Het grote verschil tussen de Situationisten uit de late jaren vijftig en de ketter, zit in hoe de verbeelding tot stand komt en waar het als een voorgeworpen werkelijkheid de ander, het subject ontmoet. De ketter zoekt niet de veiligheid van de kunstwereld op, om daarbinnen een kritische houding aan te nemen tegen wat erbuiten gaande is. De ketter staat middenin de sociale ruimte en ziet die ruimte als het medium. Daar tracht de ketter vanuit een persoonlijke moraliteit het moreel vermogen van de ander te manipuleren en dit door het onzichtbare geweld van abstracte begrippen zichtbaar te maken.

De ketter met zijn of haar kritische houding staat met de vormkeuze middenin de antagonismen die Mouffe eerder in deze tekst beschreef. Denk daarbij aan de ruimte die tussen de atheïst en de god gelovige ontstaat; door hun absolute waarheid staan zij tegenover elkaar. Daartussen? bevindt zich de tussenruimte die gedomineerd wordt door abstracties zoals de Verlichting, god, de markt of, zoals Schinkel eerde aangaf, de samenleving. Het zijn permanente pogingen om in de tussenruimte het productieve dat in de mens aanwezig is te bepalen. Het bezetten van die tussenruimte kan je vergelijken met de reeds beschreven koloniale nederzetting, die tussen de inheemse bevolking en de kolonisator in staat en de menselijke productiviteit bepaalt. Dat bezetten is een vorm van besturen en gebeurt via het  werk van de verbeelding. We weten ondertussen dat de verbeelding geconditioneerd wordt door de symbolen van abstracte begrippen. Via de symbolen wordt er macht uitgeoefend in het besturen van een volk, waarbij alternatieven onderdrukt worden. Maar de bezetting slaagt nooit volledig en concurreert steeds met andere abstracties. Bovendien zal door het existentieel ‘zijn’ en de ambivalentie van de mens het leven steeds ontsnappen langs de scheuren van dichtgevroren intermenselijke relaties. Het gaat voor de ketter niet om een absolute waarheid zoals dat bij de atheïst en de godgelovige van belang is. Maar om de abstractie die hoe noodzakelijk ook het dagdagelijks leven bepaalt. Het gaat om het geweld die op een omgeving uitgeoefend wordt door een systeem dat zich volgens een absolute waarheid ontwikkelt. Elke ontwikkelde abstractie moet daarom steeds vanuit een kritische houding bekeken worden, om te zien welk geweld er aan de orde is.

c o n c l u s i e

Nu deze masterscriptie geschreven is wordt het terug tijd om me in de wereld te begeven. Om voor de onzekerheid te kiezen, de ontmoeting met de ander aan te gaan in een omgeving die ook de mijne niet is. Vanuit zijn of haar kennis wil ik een weten distilleren dat zich verhoud met de dagdagelijkse abstractie, met dat geweld die vandaag onzichtbaar blijft. Als een ketter wil ik in die abstractie bewegen met een verbeelding die het onzichtbare zichtbaar maakt. Met een kritische houding die evidenties uitdaagt en zoekt naar welke soort veronderstellingen, welke niet bevraagd en niet uitgedaagde denkwijze onderliggend zijn aan praktijken die we als evident beschouwen. Vandaag bepaalt het neoliberale systeem met het abstracte begrip ‘de vrije markt’ dat dagdagelijkse leven. Het is één experiment van het medium de democratie dat een volk op zichzelf uitoefent, maar het gedraagt zich net zo superieur als het christendom toen in de koloniale nederzetting. Met een alternatieve verbeelding dat op de grond gefundeerd is met de existentiële horizon versmelting van het volk, wil ik de zoektocht verder aan gaan naar een nieuwe egalitaire symbolisatie van en voor de mens.

Om te eindigen een citaat van Michel Foucault.

“We zouden dus met een aandachtig oor naar dat gemurmel van de wereld moeten luisteren en moeten proberen zoveel beelden die nooit in de poëzie hun neerslag hebben gevonden, zoveel fantasmata die nooit de kleuren van de wakende toestand hebben verworven, waar te nemen. Dat is beslist een in dubbele zin onmogelijke taak; ten eerste omdat het ons zou dwingen het stof te reconstrueren van die concrete pijn, van die onzinnige woorden die door niets in de tijd worden vastgehouden; en vooral omdat die pijn en die woorden uitsluitend in de daad van het scheiden bestaan.”[13]

b i o g r a f i e

Alma, H. (2018). De kunst van samenleven. Brussel, België: VUPRESS.

Arendt, H. (1958). De menslijke conditie (2017 ed.). (C. Houwaard, Vert.) Amsterdam , Nederland: Boom.

Arendt, H. (1991). Eichmann In Jeruzalem (2018 ed.). (W. Scholtz, Vert.) New York, USA: Olympus.

Arendt, H. (1951). Totalitarisme (2017 ed.). (B. u. 2005, Vert.) Amsterdam, Nederland: Boom.

Badiou, A. lezing 10 mei 2019 Waarom de jeugd gecorrumpeerd moet worden. Brussel, België: VUB.

Badiou, A., Bourdieu, P., Butler, j., Didi-Huberman, G., Khiari, S., & Ranciére, J. (2013). What is a people? (2016 ed.). (J. Gladding, Vert.) New York, USA: Columbia University Press.

Bouman Z. (2018). Vloeibare Tijden (2018 ed.).(J.M.M. de Valk) Utrecht, Nederland: Klement.

Brown, W. (2015). Het ontmantelen van de demos (D. Pieters, Vert.) Amsterdam, Nederland: @

Constant, A. (1962). New Babylon in Randstad. Driemaandelijks #2. Amsterdam, Nederland: Foundation Constant. pp. 127-138 opgenomen in cursus door Godart Bakkers (2017-2018) Lectuur teksten vanuit hedendaags perspectief  hoofdstuk Letterism/Situationism/Constant tekst New Babylon. HoGent Shool Of Arts KASK

De Las Casas, B. (1992). A Short Account of the Destruction of the Indies (2004 ed.). (N. Griffin, Red., & N. Griffin, Vert.) Engeland, Londen: Pinguin Classics.

Dur, A & Wark, M. (2011). New New Babylon. October Magazine, Ltd. and Massachusetts Institute of Technology. October 138  pp. 37-56 opgenomen in cursus door Godart Bakkers (2017-2018) Lectuur teksten vanuit hedendaags perspectief  hoofdstuk Letterism/Situationism/Constant tekst New New Babylon. HoGent Shool Of Arts KASK

Eribon, D. (2009). Terug naar Reims (2018 ed.).(S.van der Meij, Vert.) Nederland: Leesmagazijn.

Foucault, M. (2004). De geboorte van de bioplotiek (2013 ed.). (Jeanne Holierhoek, Vert.) Amsterdam, Nederland: Boom.

Foucault, M. (1972). Geschiedenis van de waanzin (2013 ed.). (C. Heering-Moorman, Vert.) Amsterdam, Nederland: Boom.

Latour, B. (2015). Oog in oog met Gaia (2017 ed.). (R. H. Vandenberghe, Vert.) Parijs, Frankrijk: Octavo.

Levinas, E. (1969). Het menselijk gelaat (1987 ed.). (O. d. Peperzak, Vert.) Schoten, België: Westland.

Lyotard, J.-F. Het onmenselijke. opgenomen in cursus door Vande Veire Frank (2018-2019) Moderne teksten over kunst. HoGent Shool Of Arts KASK

Mouffe, C. (2013). Agonistics. Londen, Engeland: Verso.

Plato. (1975). De ideale staat (2017 ed.). (G. Koolschijn, Vert.) Amsterdam, Nederland: Athenaeum – Polak & Van Gennep.

Safranski, R. (1997). Het Kwaad (2011 ed.). (M. Wildschut, Vert.) München, Duitsland: Olympus.

Sebald, W.G. (2003). Campo Santo (2010 ed). (R. van Hengel, Vert.) Amsterdam, Nederland: Bezige Bij

Schinkel, W. (2014). Over nut en nadeel van de sociologie voor het leven. Amsterdam, Nederland: Boom.

Tacq, j. (2003). Het Oeuvre van Pierre Bourdieu. Antwerpen, België: Garant. samenvattende tekst door J. Tacq, A. Wesselingh, R. Laermans en M.-J. de Jong.­­­­­­­­­

Van de Bossche, M. (2018). Vreemde Wereld. Brussel, België: Academic and Scientific Publishers.

Verhaeghe, P. (2012). Identiteit (2013 ed.). Amsterdam , Nederland: De Bezige Bij.

Wagner, R. Geschriften over kunst en religie. (W. Desmense, Red., & P. Westbroek, Vert.) Utrecht, Nederland: IJzer.

Wagner, R. (2013). Het kunstwerk van de toekomst. (W. Desmense, Red., & P. Westbroek, Vert.) Utrecht, Nederland: IJzer.

Wark, M. (2004). A Hacker Manifesto. Londen, Engeland: Harvard University Press.

Wark, M. (2017). General Intellects. Brooklyn, USA: Verso.

Adam Curtis (2016, juni 20) The Century of the Self. YouTube geraadpleegd op op 27 december 2018, via: https://www.youtube.com/watch?v=DnPmg0R1M04

artvideotv (2013, augustus 10) Piano piece by George Maciunas. YouTube geraadpleegd op 19 mei 2019, via: https://www.youtube.com/watch?v=Y9dTjUtRIR4

Debord. G. & Wolman, G. J. (1956, mei) A User’s Guide to Détournement, situationist international online, gereedpleegd op 20 mei 2019, via: https://www.cddc.vt.edu/sionline/presitu/usersguide.html

Süddeutsche Zeitung (?)  Cheating, Divorce And Panama Papers. sueddeutsche.de  geraadpleegd geraadpleegd op 23 april 2019, via: https://panamapapers.sueddeutsche.de/articles/5707ea36a1bb8d3c3495b999/

Wikipedia, (2018, december 4) Ketter. Wikipediageraadpleegd op 10 maart 2019, via: https://nl.wikipedia.org/wiki/Ketter

Wikipedia, (2017, november 8) Wet van de toereikende grond. Wikipedia geraadpleegd op 28 maart 2019, via:

https://nl.wikipedia.org/wiki/Wet_van_de_toereikende_grond

Alyacoubi M. (2018) master seminarie The Other Cinema Hogent School of Arts KASK

Vande Veire F. (2018) master seminarie Moderne teksten over kunst Hogent School of Arts KASK

Debuysere S. (2019) master seminarie Figures of dissent Hogent School of Arts KASK

Van de Bossche, M. (2018) hoorcollege Hedendaagse cultuur en politieke filosofie faculteit Wijsbeheerte Vrije Universiteit Brussel.

Suliman-Jabary Salamanca, O. (2019) hoorcollege Postcolonial Studies faculteit Letteren en Wijsbegeerte programma Master of Arts in Gender and Diversity Ghent University

 

maarten De Vrieze

Autonome Vormgeving

academiejaar 2018 – 2019 

scriptie

mentor Dr. Helena de Preester

3 juni 2019


[1] Tacq, 2003, pp. 7-36.

[2] Bakkers, 2017-2018, p. 5.

[3] Debuysere, 2019.

[4] De Las Casas, 1992, p. 47.

[5] Schinkel, 2014, p. 128.

[6] Wikipedia, 2017.

[7] Van de Bossche, 2018, p.75.

[8] Levinas, 1969, inleiding.

[9] Van de Bossche, 2018, pp. 103-104.

[10] Badiou, 2019.

[11] Bakkers, 2017-2018, p. 6.

[12] Debord. G. & Wolman, G. J. 1956.

[13] Sebald, W.G. 2003, p. 61